Memorandum Gemeenteraadsverkiezingen - oktober 2012
Directheid

Gemeenten dienen hun mobiliteit zo te organiseren dat de kortste route altijd voorbehouden is voor de fiets. Maak van de fiets de kampioen van de korte verplaatsingen. De gemeente moet een samenhangend stelsel van fietsverbindingen voorzien die fietsers een zo direct mogelijke route naar hun bestemming biedt, waarbij omrijden tot een minimum beperkt blijft. Daarnaast engageert de gemeente zich om kwaliteitsvolle, diefstalbestendige en vandaalongevoelige fietsparkeervoorzieningen te voorzien op alle punten waar fietsers vertrekken of aankomen.

Kies voor de kernversterking van gemeentelijke centra

Een doordachte herverdeling van de openbare ruimte is van primordiaal belang. De auto stond te lang centraal in de aanleg en het gebruik van onze straten. Het is nu aan de gemeente om dit te herevalueren en de nodige correcties aan te brengen. De fiets dient een prominente plaats te krijgen in de ruimtelijke ordening en de ruimte dient verdeeld te worden op maat van de fietser. Dit impliceert een gemeente die kiest voor een kernversterking van haar centra. De gemeente moet binnen haar ruimtelijk beleid de voorkeur geven aan inbreiding, het bouwen binnen de bestaande bebouwing, boven een steeds uitdijende lintbebouwing die de grenzen van bestaande bebouwing steeds verplaatst en boven een exclusief autovriendelijke delocatie van diensten, winkelcentra en bedrijven. Functies als wonen, werken, winkelen en de school van de kinderen dienen op fietsafstand van elkaar te worden ingepland. De daling van het aantal autoverplaatsingen die dit teweeg brengt, verhoogt niet alleen de verkeersveiligheid binnen de gemeente maar genereert ook minder geluidsoverlast, een gezondere leefomgeving en is een middel voor lokale economische groei en sociale cohesie. De gemeente moet zich ook engageren om elke bouwvergunning te onderwerpen aan een fietstoets. Zo dient de gemeente bij werken aan de openbare weg te voorzien in een duidelijke wegomleiding op maat van de fietser. Daarnaast verplicht ze alle gemeentediensten en private eigenaars om bij nieuwe bouwprojecten rekening te houden met een veilige bereikbaarheid met de fiets en te voorzien in voldoende fietsenstallingen.

Kwalitatieve fietsinfrastructuur is een must

Een gemeente die een fietsvriendelijke infrastructuur tot stand wil brengen, moet uitgaan van de verplaatsingsbehoefte van de fietser, los van de bestaande infrastructuur. Functionele en recreatieve fietsroutenetwerken stellen verschillende gebruikerseisen en ook de gebruikersintensiteit van specifieke trajecten speelt een rol. De gemeente moet een hiërarchisch opgebouwd fietsnetwerk uitwerken dat een onderscheid maakt tussen hoofdroutes, bovenlokale routes en lokale routes. Het lokale beleidsniveau is het uitgelezen beleidsniveau om in te zetten op korte verplaatsingen. Naast de effectieve realisatie van de bovenlokale functionele fietsnetwerken, moet de gemeente in de volgende legislatuur expliciet investeren in de realisatie van het eigen lokale fijnmazig fietsnetwerk. Deze maasverkleining moet ervoor zorgen dat de lokale (korte) fietsverplaatsing sneller is dan de lokale (korte) autoverplaatsing, conform het STOP-principe.

Het ontvlechten van het auto- en fietsnetwerk vormt de sleutel tot het faciliteren van de kortste fietsverplaatsing en de fietsveiligheid. Een doordacht fietsnetwerk bestaat uit fietssnelwegen naar de stad of gemeente, fietspaden en fietsstraten in het centrum en autoluwe en autovrije zones in het kerngebied. De gemeente moet hierbij altijd aandacht hebben voor de directheid van het fietsnetwerk; dit omvat alle factoren die de reistijd van de fietser beïnvloeden. Belangrijke criteria hierbij zijn het oponthoud en de omrijfactor voor de fiets.

Om het oponthoud van fietsers te beperken en de door het autoverkeer gebruikte sluiproutes te onderbreken, dient de gemeente in alle straten tweerichtingsverkeer voor fietsers (‘beperkt eenrichtingsverkeer met uitzondering van fietsers’) te voorzien. Om toegankelijk te zijn voor fietsers in de tegenrichting, moet een eenrichtingsstraat (als die voldoet aan de voorwaarden) voorzien zijn van het verkeersbord M2 dat voorgeschreven wordt door het verkeersreglement. Dit geldt aan het begin van de straat met beperkt eenrichtingsverkeer (BEV) en aan het begin van de verboden rijrichting. Hoewel dit verplicht is, wordt dit nog niet in elke gemeente toegepast. Het verkeersbord wordt bij voorkeur aangevuld met markeringen op de weg voor de fietser. Indien er voldoende ruimte is, dient men ook te voorzien in een fietspad in de tegenrichting zodat ook bakfietsen en fietskarren ongehinderd gebruik kunnen maken van de straat met BEV. Daarnaast dient de gemeente het gemotoriseerd sluipverkeer te onderbreken met een autoknip zodat de kortste en veiligste route steeds voor de fietser is.

Omdat het aantal fietsers met een elektrische fiets stelselmatig toeneemt, moet de gemeente op het fietsroutenetwerk voorzien in een dicht netwerk van oplaadpunten voor elektrische fietsen dat de gehele gemeente dekt.

Voorzie voldoende, aangepaste en nabije fietsparkeervoorzieningen

Het gemeentebestuur is de overheid bij uitstek om een globaal fietsparkeerbeleid uit te werken dat de objectieve en subjectieve veiligheid garandeert. Met het op te stellen gemeentelijk fietsparkeerplan, een integraal onderdeel van het algemeen parkeerplan, moet de gemeente kwaliteitsvolle, diefstalbestendige en vandaalongevoelige fietsparkeervoorzieningen voorzien op alle punten waar fietsers vertrekken of aankomen. Wij vragen daarmee niet meer dan wat elke automobilist nu al heeft, namelijk overal parkeermogelijkheid.

Het moet de regel zijn dat gemeentelijke instellingen en andere gemeenschapsvoorzieningen, zoals het cultureel centrum, de sporthal, de bibliotheek, het gemeentehuis, de bioscoop en de buitensportinfrastructuur beschikken over comfortabele en diefstalveilige fietsenstallingen. Dit betekent dat fietsen op zijn minst met het kader aan een vast voorwerp bevestigd kunnen worden, dat de fietsenstalling overdekt en verlicht is, en dat op diefstalgevoelige plaatsen wordt voorzien in permanent toezicht. Een fietsenstalling waar de fiets enkel met het voorwiel bevestigd kan worden (ook bekend als ‘velgenplooier’) is uit den boze. Zorg ervoor dat fietsenstallingen steeds centraal en dicht bij de ingang van het gebouw zijn gepositioneerd en goed zichtbaar zijn.

Het is belangrijk dat op regelmatige basis, minstens vier maal per jaar, weesfietsen (achtergelaten fietsen die capaciteit innemen in fietsrekken) en fietswrakken uit de fietsenstalling worden verwijderd. Dit verhoogt het veiligheidsgevoel en zorgt voor voldoende ruimte voor de te stallen fietsen. In woonbuurten kunnen gemeenschappelijke fietsenstallingen het gebrek aan plaats voor gestalde fietsen in de individuele woningen opvangen. Fietskluizen of -trommels voor gemeenschappelijk gebruik vormen hier een uitstekend alternatief.

De gemeente moet een fietsparkeernorm uitwerken die alle gemeentediensten en private bouwheren verplicht om voldoende fietsenstallingen te voorzien in elke nieuwbouw. Dit geldt zowel voor particuliere woningen en appartementsblokken (0,75 per kamer, minimaal twee per woning), als voor winkels (kleine winkels krijgen minimum twee fietsenstallingsplaatsen, grote winkels vragen minimum drie fietsenstallingsplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak) en voor bedrijven (het aantal stallingsplaatsen bedraagt minimaal 25 % van het aantal werknemers).

Gemeentebesturen moeten ook het voortouw nemen in het overleg met De Lijn en/of MIVB en de NMBS om haltes van het openbaar vervoer te voorzien van kwaliteitsvolle en diefstalveilige fietsenstallingen. Halteplaatsen van het openbaar vervoer, carpoolparkings, treinstations en andere intermodale knooppunten vormen een belangrijk onderdeel van het mobiliteitsnetwerk, maar zijn afhankelijk van een comfortabel en snel voor- en natransport. Een goede ontsluiting van de haltes met de fiets is daarom prioritair. Omdat men aan deze haltes vaak voor een langere tijd de fiets moet kunnen stallen, zijn overdekte en goed verlichte fietsenstallingen met gratis toezicht noodzakelijk. Knooppunten van openbaar vervoer zoals hoofdhaltes of treinstations moeten daarnaast ook versterkt worden met voorzieningen als fietspunten en deelfietsen zoals Blue-bikes.

Een vooraf goed aangekondigde fietsenstalling met toezicht bij eenmalige festiviteiten en evenementen in de gemeente zal veel mobiliteitsproblemen oplossen die dergelijke massa-activiteiten met zich meebrengen. Tegelijkertijd zal deze voorziening georganiseerde fietsdiefstal helpen voorkomen.

In afwachting van een door de fietsproducenten en/of overheid beheerd, sluitend registratiesysteem zorgt het gemeentebestuur of de politiezone via het aanbrengen van het rijksregisternummer dat gestolen fietsen later ook sneller teruggevonden kunnen worden. De gemeente engageert zich daartoe door de website www.gevondenfietsen.be als centraal registratiesysteem voor gevonden fietsen te gebruiken.

Naast degelijke stallingen speelt ook handhaving een cruciale rol. Politiepatrouilles met aandacht voor fietsenstallingen, opvolging van diefstalmeldingen en specifieke aandacht voor dievenbendes zijn dan ook noodzakelijk. Het beleid inzake opsporing van fietsdiefstal heeft in heel wat steden en gemeenten nog te weinig om het lijf. Fietsen die gegraveerd zijn met het rijksregisternummer moeten bij controle van gestolen fietsen ook effectief aan de rechtmatige eigenaar terugbezorgd worden.

Vijf concrete doelstellingen
  1. Zorg door het mengen van functies voor stads- en dorpskernversterking.
  2. Zorg voor een fietsnetwerk waardoor de verschillende stads- of gemeentedelen vlot
    en veilig bereikbaar zijn.
  3. Zorg steeds voor voldoende, aangepaste en nabije fietsparkeervoorzieningen.
  4. Waak erover dat fietsverbindingen steeds de kortste route bieden ten opzichte van andere modi.
  5. Zet maximaal in op fietsstraten, fietspaden, straten met beperkt eenrichtingsverkeer
    en ontmoedig sluipverkeer om de vooropgestelde directheid te bereiken.